Garderegiment Grenadiers en Jagers

Algemeen
Op 7 juli 1829 richtte koning Willem I een ‘afdeling’ Grenadiers en twee bataljons Jagers op. Deze eenheden vormden het begin van het huidige Garderegiment Grenadiers en Jagers. Zij zetten de traditie voort van al eerder onder die naam optredende eenheden.
Grenadiers waren oorspronkelijk ‘granaatwerpers’ die in de zeventiende eeuw in de legerorganisatie verschenen. Zij wierpen een met een springlading gevulde metalen bol, die zij met een brandende lont aanstaken, naar de vijand. Het embleem van de Grenadiers, een springende granaat, herinnert aan deze oorsprong. Ook de Jagers kennen een voorgeschiedenis. Zij waren oorspronkelijk scherpschutters, die zelfstandig en beweeglijk optraden voor verkennende en beveiligende taken en voor aanvallen op de aanvoerlijnen van de vijand. Zij verschenen in de achttiende eeuw op het slagveld. Zij gebruikten niet de trom, maar de jachthoorn als instrument om signalen mee te geven. De jachthoorn is altijd het embleem van de Jagers gebleven. Vóór de officiële oprichting in 1829 maakten de Grenadiers en Jagers in wisselende samenstelling deel uit van het Nederlandse leger. Ná 1829 vormden zij meestal afzonderlijke regimenten, maar tussen 1843 en 1913 en tussen 1950 en 1953 waren zij verenigd in één regiment.

“Onder het oog des Konings”
Koning Willem I zag de Grenadiers en Jagers als elitetroepen die een voorbeeld voor de rest van het leger waren. Hij beschouwde hen als een garde, hoewel die status niet officieel was toegekend. Dat laatste gebeurde pas in 1948. De Grenadiers en Jagers werden gestationeerd in de beide residenties van de koning, ’s-Gravenhage en Brussel, de laatste omdat Nederland en België toen verenigd waren. Ze dienden ‘onder het oog des Konings’. Zij hadden daarom vanaf hun oprichting een speciale band met het Oranjehuis en met ’s-Gravenhage. Meteen na hun oprichting werden zij ingezet. In 1830 brak in Brussel een opstand uit die uiteindelijk leidde tot de zelfstandigheid van België. Bij gevechten in stad en tijdens de Tiendaagse Veldtocht in 1831 streden de Grenadiers en Jagers in het voorste gelid.
De Grenadiers en Jagers zijn tot de Tweede Wereldoorlog in ’s-Gravenhage gebleven. Zij waren gelegerd in de befaamde Oranjekazerne midden in de stad. In maart 1919 brandde deze kazerne af, waarna de militairen in Kamp Waalsdorp werden ondergebracht. De Grenadiers en Jagers verdedigden de residentie en beschermden de koninklijke familie, toen Duitse troepen, tijdens de meidagen van 1940, ons land binnenvielen. De strijd voltrok zich bij de vliegvelden Ockenburg, Ypenburg en Valkenburg, waar Duitse parachutisten landden. Ook op andere plaatsen in Nederland werd door Grenadiers en Jagers een harde strijd gevochten, te denken valt daarbij aan Waalhaven en de Grebbeberg.
Na 1945 streden de Grenadiers en Jagers in Nederlands-Indië, vooral op Java en Sumatra, voor het herstel van de orde in de kolonie. Zij namen deel aan de twee Politionele Acties en aan de bestrijding van de Indonesische guerrilla, waarbij meer dan 200 Grenadiers en Jagers zijn omgekomen.
Na de Tweede Wereldoorlog werd – na enige omzwervingen - de nieuwe Oranjekazerne te Schaarsbergen de nieuwe thuisbasis voor de Jagers en de Saksen Weimarkazerne te Arnhem voor de Grenadiers. De Garderegimenten vervulden taken in NAVO-verband die gericht waren op de verdediging van West-Europa en Nederland in het bijzonder tegen een eventuele aanval van de troepen van de Sovjetunie en het Warschaupact. Het was de periode van de Koude Oorlog, die eindigde met de val van de Berlijnse Muur in 1989 en de ineenstorting van de Sovjetunie in 1991.
Vanaf het begin van de jaren negentig ondergingen de Grenadiers en Jagers een gedaanteverandering. Zij werden omgevormd tot luchtmobiele infanteriebataljons en gingen deel uitmaken van de nieuwe Luchtmobiele Brigade. Zij namen deel aan een aantal vredesoperaties in het kader van de Verenigde Naties, zoals in Bosnië (1994), Cyprus (1998-1999), Kosovo (1999), Macedonië (2001), Afghanistan (2002-2003) en Irak (2004-2005). Momenteel zijn eenheden van het regiment wederom actief in Afghanistan!
In 1995 werden de regimenten opnieuw – voor de derde maal - samengevoegd. Op 11 april van dat jaar overhandigde koningin Beatrix het nieuwe vaandel aan luitenant-kolonel P.J.M. van Uhm, toenmalig commandant van het Garderegiment Grenadiers en Jagers. Een nieuw hoofdstuk in de kleurrijke geschiedenis van de Grenadiers en Jagers werd daarmee geopend
Embleem
Het samengestelde embleem van het regiment bevat een springende granaat, als verwijzing naar de Grenadiers, en een jachthoorn, als verwijzing naar de Jagers. Binnen het bataljon hebben de Grenadiers en Jagers ieder hun eigen leus, respectievelijk ‘Grenadiers vooraan’ en ‘Allez chasse’!